|
Trainingsleer |
|||||
TrainingsopbouwEen training bestaat in principe altijd
uit vijf onderdelen |
|||||
Warming upEr wordt heel rustig ingelopen, met de nadruk op
rustig. Tijdens het inlopen worden losse bewegingen gemaakt met armen,
benen en romp. De functie van de bloedsomloop, de longen, het zenuwstelsel
en de spieren wordt op een hoger niveau gebracht dan het rustniveau.
|
|||||
Lenigheid en spierlengte controleLenigheidoefeningen incl. statische en dynamische rekoefeningen. |
|||||
Een betere coördinatie en looptechniekEen goede warming-up levert een betere coördinatie en daarmee een betere looptechniek op. Uw reflexen verbeteren en daardoor verlaagt u de kans op spier- en gewrichtsbandschade. Bovendien zijn de spieren en banden beter belastbaar op het moment dat de wedstrijd of de training begint.Techniek van het lopen met, afhankelijk van de belastbaarheid, een stukje kracht.In samenhang met de verbetering van het uithoudingsvermogen is het verbeteren van de looptechniek. Het voorkomen van blessures en het economisch, dat wil zeggen zo min mogelijk energie verbruikend, lopen zijn onze doelen.Snelheid is het product van pasfrequentie (aantal stappen per minuut) en de paslengte. Met loopscholing kun je beide verbeteren.De loopscholing bevordert door de specifiek op hardlopen gerichte oefeningen voor een betere looptechniek. We onderscheiden vier deelfasen tijdens de loopbeweging: * De achterste steunfase * De achterste zwaaifase * De voorste zwaaifase * De voorste steunfase |
|||||
TrainingVoor specifieke looptraining kunnen er verschillende
trainingsvormen worden onderscheiden. Dit zijn: Bij de extensieve intervaltraining is er meer verschil tussen de rustperiodes en het snelheidswerk. Bij het snelheidswerk mag je hier nog niet “maximaal” gaan. De intensieve intervaltraining wordt alleen gedaan door gevorderde lopers. Voor lange afstandlopers komt deze training heel weinig voor. De fartlek training kan het beste in de bossen en duinen worden uitgevoerd. In deze training wordt afwisselend snel en langzaam gelopen en volgen vlak, heuvel op en heuvel af elkaar op. Een voorbeeld van een fartlektraining is: 10 min inlopen en warming up, 5 tot 10 min rustig lopen, 10 x 50-80 m snel, 5 min rustig lopen,3 keer 2 min tempo, gevolgd door 1 min rust, 5 min rustig lopen, 5 min lopen in hoger tempo, 10 min uitlopen en oefeningen. De heuvel training wordt heuvelopwaarts gedaan. Ga hiervoor naar een viaduct of ga de duinen in. Ga nu een aantal keren snel naar boven en loop in een rustig tempo terug. Doel van de heuveltraining is het versterken van de beenspieren. Aandachtspunt: ga voorzichtig naar beneden. Hier maak je makkelijk een misstap. Ook de heuvel- en fartlek trainingen zijn
intervaltrainingen. Doe deze niet te vaak. Het gros van de trainingen moet
uit duurlopen bestaan waarbij je op zo’n tempo loopt dat je met een
eventuele collega loper kunt blijven praten. |
|||||
Cooling downDe cooling down bestaat uit kort en rustig uitlopen
gevolgd door wat controle oefeningen.Het doel hiervan te controleren of de
spieren op de zelfde lengte zijn als voor de specifieke training. Door het
trainen kunnen er spierscheurtjes zijn ontstaan die bij intensief rekken
kunnen verergeren.Zijn de spieren verkort dan lopen wij de volgende dag
los en doormiddel van licht statisch rekken brengen wij de spieren terug
naar de uitgangslengte. Pas op! |
|||||
Intensiteit / trainen op hartslagIntensiteit geeft aan hoe hard je moet werken. Bij
hoge intensiteit zal de hartslag hoger zijn dan bij trainingen in lage
intensiteit. de hartslag zegt iets over de intensiteit.Er wordt hierbij
altijd uit gegaan van je hartslag t.o.v. je maximale hartslag. Beter is om de maximale hartslag te bepalen d.m.v.
een test. Voorbeeld van een test is: Waarschuwing: doe dit alleen na een goede warming up
en ook alleen als je in goede conditie bent. Voor recreatief ingestelde
sporters is dit niet nodig. |
|||||
|
Hartfrequentie zone |
% HF max |
Trainingsduur |
Trainingsdoel |
Maximum snelheid |
Loop snelheid |
|
Gewichtscontrole zone |
50-60 |
> 60 |
Energie verbruik |
Joggen-wandelen |
Rustig |
|
Fitheidszone |
60-70 |
>30 |
Hart- en longfunctie verbeteren |
Marathon |
Matig |
|
Aërobe zone |
70-80 |
8-30 |
Aërobe vermogen vergroten |
10 km |
Lange afstand |
|
Anaërobe zone |
80-90 |
5-8 |
Anaërobe drempel verhogen |
3/5 km |
Tempo |
|
Uitputtingszone |
90-100 |
1-5 |
Anaërobe vermogen vergroten |
800 / 1500 meter |
Sprint |
| Anaërobe
drempel: de hartslag (of intensiteit) waarbij meer melkzuur wordt gevormd
dan door het lichaam kan worden afgevoerd. Deze melkzuur geeft een slecht
gevoel
Hieronder staan enkele voorbeelden van de verschillende trainingen: |
|||||
|
|
|||||
TrainingsprincipesOVERLOAD (overbelasting)(belasting verhogen) Tijdens het trainen brengen we een verstoring te weeg in het lichaam (hart, longen, spieren). Trainingseffecten treden pas op als er na de training voldoende mogelijkheden zijn om van deze verstoring te herstellen. Hoe groter de verstoring, hoe meer "kwaliteit" ook de herstelfase zal moeten hebben. Na de herstelfase is het lichaam beter in staat om een volgende verstoring weerstand te bieden. Er is dus een stijging naar een hoger niveau van het adaptieproces waarneembaar. De herstelfase is voor iedereen verschillend dat is ook weer afhankelijk van een heleboel factoren (uitgangsniveau). Dit laatste proces noemen we de supercompensatie. We worden dus niet sterker van het trainen maar van de rust erna. |
|||||
|
|
|||||
| Na
de supercompensatie komt de wet van de verminderde meeropbrengst.
Dat wil zeggen dat naarmate de trainingstoestand beter wordt en het
lichaam beter geadapteerd raakt, het steeds moeilijker wordt om een
trainingsprikkel te geven die nog leidt tot supercompensatie. Er dient dus
steeds harder (effectiever) getraind te worden (Train smart not hard). Progressieve overload wil zeggen dat de prikkel geleidelijk moet worden verhoogd. Je kunt dat doen door de duur, frequentie of intensiteit te verhogen. Personen met minder dan drie jaar trainingservaring zouden eerst hun basis moeten verbreden door veel duurtraining te doen op een rustig niveau (lage hartslag). Ook de frequentie kan verhoogd worden en als laatste pas de intensiteit. Het verhogen van de prikkel moet men in kleine stappen van 5 tot 10% doen. Dit om een overtraining of blessures te voorkomen en een goede adaptie te bewerkstelligen. Specificiteit Om de prestaties in een bepaalde sport te verbeteren moet je specifiek trainen op deze sport of in de sport op een bepaalde afstand trainen. Voorbeeld: een 1500 meter loper traint anders dan een marathon loper. Hetzelfde geldt voor lopen, zwemmen, fietsen, roeien etc. REVERSIBILITEIT (omkeerbaarheid) |
|||||